Naar de lesinhoud
EAW · E-learningsEerste module · vrij toegankelijk

Module 1 · Wat infrastructuur is en wat het moet kunnen

Video — Applicatietypen

Voordat u ook maar één server kiest, moet u weten wat erop gaat draaien. Niet welke applicatie — welk sóórt applicatie. Laan onderscheidt er drie.

Interactief: een gebruiker klikt en wacht. Honderd tot driehonderd milliseconden is de norm. Het EPD, de PACS-viewer. Wat de infrastructuur moet leveren: waargenomen snelheid, en beschikbaarheid op de momenten dat er zorg wordt geleverd.

Realtime: onder de tien milliseconden, en geen onderbreking — ook geen korte. Bij Brandaris: de monitoring op de OK's en de IC's. Wat de infrastructuur moet leveren: voorspelbare latency. Niet gemiddeld snel, maar altijd snel.

Batch: uren. De laboratoriumuitwisseling elke dertig minuten, de facturatie. Mag 's nachts, mag opnieuw als het misgaat. Wat de infrastructuur moet leveren: doorvoer, tegen lage kosten.

Drie typen, drie eisen. En dat is de regel: het applicatietype bepaalt welk kwaliteitsattribuut zwaar weegt. Vóór u een bouwblok kiest. Realtime vraagt latency. Batch vraagt doorvoer. Interactief vraagt waargenomen prestatie.

Maar let op één ding bij Brandaris. Die lab-uitwisseling. Elke dertig minuten — dat is batch, technisch gezien. Een bestand gaat van het lab naar het EPD. Maar stel u de arts voor die op de uitslag wacht. Voor haar is die dertig minuten geen batch. Voor haar is het een responstijd, en een lange.

Het type zegt wat de infrastructuur doet. De eis komt van wie erop wacht. Als u die twee verwart, ontwerpt u een batchsysteem dat technisch prima werkt en waar de hele afdeling over klaagt.

Neem nu de systemen uit de casus — het EPD, de PACS-viewer, de OK-monitoring, de lab-uitwisseling, de facturatie. Per systeem: welk type, welk attribuut weegt het zwaarst, en welk feit uit de casus onderbouwt dat. Drie regels per systeem. Dit is voor uzelf. In O3 doet u het voor wat er verhuist, en dan telt het.

Applicatietypen

Lees het transcript

Voordat u ook maar één server kiest, moet u weten wat erop gaat draaien. Niet welke applicatie — welk sóórt applicatie. Laan onderscheidt er drie. Interactief: een gebruiker klikt en wacht. Honderd tot driehonderd milliseconden is de norm. Het EPD, de PACS-viewer. Wat de infrastructuur moet leveren: waargenomen snelheid, en beschikbaarheid op de momenten dat er zorg wordt geleverd. Realtime: onder de tien milliseconden, en geen onderbreking — ook geen korte. Bij Brandaris: de monitoring op de OK's en de IC's. Wat de infrastructuur moet leveren: voorspelbare latency. Niet gemiddeld snel, maar altijd snel. Batch: uren. De laboratoriumuitwisseling elke dertig minuten, de facturatie. Mag 's nachts, mag opnieuw als het misgaat. Wat de infrastructuur moet leveren: doorvoer, tegen lage kosten. Drie typen, drie eisen. En dat is de regel: het applicatietype bepaalt welk kwaliteitsattribuut zwaar weegt. Vóór u een bouwblok kiest. Realtime vraagt latency. Batch vraagt doorvoer. Interactief vraagt waargenomen prestatie. Maar let op één ding bij Brandaris. Die lab-uitwisseling. Elke dertig minuten — dat is batch, technisch gezien. Een bestand gaat van het lab naar het EPD. Maar stel u de arts voor die op de uitslag wacht. Voor haar is die dertig minuten geen batch. Voor haar is het een responstijd, en een lange. Het type zegt wat de infrastructuur doet. De eis komt van wie erop wacht. Als u die twee verwart, ontwerpt u een batchsysteem dat technisch prima werkt en waar de hele afdeling over klaagt. Neem nu de systemen uit de casus — het EPD, de PACS-viewer, de OK-monitoring, de lab-uitwisseling, de facturatie. Per systeem: welk type, welk attribuut weegt het zwaarst, en welk feit uit de casus onderbouwt dat. Drie regels per systeem. Dit is voor uzelf. In O3 doet u het voor wat er verhuist, en dan telt het.

Terug naar het moduleoverzicht

Verder met de volledige training?

In de volledige training werk je door aan de vervolgmodules en bewaar je je voortgang op je account.

Bekijk de volledige training

Al toegang? Ga naar je cursus